Hoofdletters en interpunctie

In het Nederlands gebruiken we hoofdletters en werken we met leestekens. Het gebruiken van leestekens noemen we ook weleens interpunctie. Hoe dat ook alweer zit, met die hoofdletters en leestekens, lees je op deze pagina.

Wanneer gebruik je hoofdletters?

In Nederland hebben we de afspraak dat we hoofdletters gebruiken aan het begin van een zin en bij namen. In andere talen, zoals het Duits, moeten zelf mensen, dieren, planten en dingen met een hoofdletter geschreven worden. Hier hoeft dat niet.

Je gebruikt een hoofdletter bij de naam van een persoon, een bedrijf, een instelling, een merk, een wet, een boek, een plaats, een taal, een dialect, een volk, een feestdag of als je schrijft over een gebeurtenis in de geschiedenis.

Je gebruikt ook hoofdletters als het woord van een eigennaam of samenstelling stamt. Het klinkt eigenlijk best eenvoudig, maar soms is het best lastig: wanneer heb je nu met een naam te maken en wanneer niet?

In ieder geval schrijven we dus een hoofdletter bij een naam. Zoals Frankrijk, of Friesland. Of als je je eigen naam schrijft. Dat is best gemakkelijk te onthouden.

Een ezelsbruggetje

Je kunt een ezelsbruggetje gebruiken om te bepalen wanneer je een hoofdletter moet te gebruiken. Twijfel je? Stel jezelf dan de vraag of het de naam van een persoon, instelling of bedrijf is. En daarna stel je jezelf de vraag of het de naam van een unieke persoon, instelling, periode of plaats is. Je kunt ‘ja’ antwoorden als er maar één van is. Heb je op beide vragen ‘ja’ gezegd? Dan schrijf je het woord met een hoofdletter.

Denk bijvoorbeeld aan het ‘Ministerie van Financiën.’ Daar is er maar eentje van. Daarom schrijf je dit met een hoofdletter. Je kunt denken: ‘Ja, maar er zijn meer ministeries’, en dat klopt. Maar er is er echt maar eentje die zich alleen met geld bezighoudt. Als je zegt: ‘Mijn vader werkt op een ministerie’, schrijf je wel een kleine letter. Want er zijn meerdere ministeries.

Sommige mensen vinden dat ‘kerstmis’ een ding is. Een zelfstandig naamwoord. Dat is fout: het is de naam van een gebeurtenis uit de geschiedenis. Daarom schrijven we Kerstmis met een hoofdletter. Hetzelfde geldt voor ‘de Tweede Wereldoorlog.’

Waarom soms toch een kleine letter schrijven?

Soms lijkt het alsof je een hoofdletter moet gebruiken, maar is dat niet zo. Bijvoorbeeld bij sommige afkortingen. Veel mensen schrijven ‘HBO’ in plaats van ‘hbo’. Als je zegt: ‘Dat zijn hbo-studenten’, schrijf je dat zonder hoofdletters. Ook al staat ‘hbo’ voor ‘Hoger BeroepsOnderwijs.’

Er zijn wel een paar uitzonderingen. Afleidingen van namen krijgen bijvoorbeeld een kleine letter. Zo is het woord ‘victoriaans’ met kleine letter geschreven. Hetzelfde geldt voor merknamen die soortnamen zijn geworden. Daarom schrijven we ‘aspirientje’ zonder hoofdletters.

Als een woord iets betekent waar er meerderen van kunnen zijn, schrijven we geen hoofdletter. Daarom is ‘ministerie’ zonder hoofdletter geschreven, maar schrijven we ‘Ministerie van Financiën’ dus met hoofdletter.

Soms heb je het met een naam niet meer duidelijk over een plaats. ‘Amsterdam’ schrijf je daarom met een hoofdletter, maar ‘amsterdammertje’ niet.

Het kan ook zijn dat je het hebt over een bepaald soort volk. Eerder op deze pagina las je dat je een volk met hoofdletters schrijft. Maar als het over een naam gaat die niet één persoon bedoelt, schrijf je gewoon een kleine letter. Daarom schrijven we ‘zigeuners’ zonder hoofdletter.

Moet het woord ‘kerstdiner’ nu met een hoofdletter of niet? En ‘paashaas’? Deze woorden zijn afleidingen van feestdagen. Je schrijft dan een kleine letter. Bij historische periodes en periodes die weer terugkomen (zoals maandag en oktober) schrijf je ook een kleine letter. Dus niet: ‘De Middeleeuwen’, maar ‘de middeleeuwen’.

Dan nog één regel over wanneer je kleine letters gebruikt: bij geloven. Daarom schrijf je gewoon ‘christendom’ en ‘boeddhisme’, zonder hoofdletters.

Hoofdletter na een dubbele punt

Wat echt heel veel mensen fout doen, is een hoofdletter schrijven na een dubbele punt. Eigenlijk kun je dat gemakkelijk onthouden: je schrijft nooit een hoofdletter na een dubbele punt. Er zijn maar drie gevallen waarin je wel een dubbele punt na een hoofdletter schrijft.

Als je iemand citeert na de dubbele punt: ‘Hans zei:’, gebruik je een hoofdletter. Je schrijft dus: ‘Hans zei: “Ik doe het niet meer!”’ Dat geldt ook als er een opsomming volgt die uit volledige zinnen bestaat. Een voorbeeld:

Op maandag moet mijn moeder de volgende dingen doen:

  • Naar de kapper gaan;
  • Boodschappen doen;
  • Het huis stofzuigen;

En nog een laatste uitzondering: als er een woord komt dat je altijd met een hoofdletter schrijft. Bijvoorbeeld in de zin: ‘Een ding staat vast: Nederland gaat winnen.’ Nederland schrijf je altijd met een hoofdletter.

Hoe zit dat met interpunctie?

Het gebruiken van leestekens noemen we ook wel ‘interpunctie’. De meeste mensen weten wel wanneer ze een punt zouden moeten zetten, maar bij een komma wordt het al wat ingewikkelder. Je kunt heel wat regels bedenken wanneer je een leesteken zou moeten zetten, maar op Spelling.nl houden we het simpel.

Een punt zetten

Je kunt voor het zetten van een punt (.) een paar regels onthouden:

  • Aan het eind van een zin schrijf je een punt.
  • De punt zit altijd vast aan het laatste woord. Er komt dus geen spatie.
  • Ga je na de punt op dezelfde regel verder, dan komt er ruimte tussen de punt en het volgende woord.
  • Eindigt de zin met een afkorting die al een punt heeft? Dan komt er geen tweede punt. Dus na ‘tot 30 oktober a.s.’, komt geen extra punt.

Een voorbeeld waarin al deze regels gebruikt worden: ‘Op maandag heb ik het druk. Ik kan dan niet bij je langskomen. Maar 24 oktober kan ik wel. Tot 24 oktober a.s.’ Best gemakkelijk, toch?

Een vraagteken gebruiken

Na een vraag gebruik je een vraagteken (?). Dat geeft voor de lezer aan dat het om een vraag gaat. Net als bij een punt, gebruik je bij een vraagteken geen satie. Gaat de zin verder op dezelfde regel? Dan komt er een spatie tussen het vraagteken en het volgende woord.

Een voorbeeld waarin al deze regels gebruikt worden: ‘Vind jij Rick aardig? Ik wel!’

Een uitroepteken gebruiken

Net als bij de punt en het vraagteken, gelden er voor uitroeptekens (!) regels. Veel mensen maken fouten met het uitroepteken, omdat ze ze zomaar overal voor gebruiken. Deze regels moet je onthouden:

  • Je gebruikt een uitroepteken in een waarschuwende tekst, zoals: “Pas op het afstapje!”
  • Je gebruikt een uitroepteken als je wilt laten zien dat er iets geroepen wordt, zoals: “Ik ben hier!”
  • Voor een uitroepteken komt geen spatie.
  • Gaat de zin op dezelfde regel verder? Dan komt er een spatie tussen het uitroepteken en het volgende woord.

Een komma gebruiken

Een komma (,) gebruik je als je een rustpunt in de zin wilt inbouwen, of als je twee zinnen combineert. Je gebruikt een komma:

  • Tussen bijvoeglijke naamwoorden die bij het volgende zelfstandige naamwoord horen: ‘Er staat een mooi, groot huis in deze straat.’
  • In een opsomming: ‘Ik ga naar de sportschool op maandag, woensdag en vrijdag.’
  • Achter een briefaanhef: ‘Beste meneer van Dalen,’
  • Als je iemand aanspreekt: ‘Wat kost deze appel, meneer?’
  • Tussen twee persoonsvormen: ‘Als je hier naar links gaat, zie je aan de rechterhand de supermarkt.’
  • Bij een bijzin: ‘De auto, die inmiddels vier keer zo veel kost als voorheen, wordt binnenkort geveild.’

Er zijn ook nog extra regels over het gebruik van komma’s voor ‘die’ en ‘dat’, maar dat bespreken we niet op deze pagina. Je kunt op deze pagina alles over de komma lezen.

Een dubbele punt of puntkomma gebruiken

Een dubbele punt (:) komt meestal voor bij een opsomming, uitleg of citaat. Een paar voorbeelden:

  • ‘De dag begint met een ritueel: opstaan, douchen, aankleden, ontbijten en naar school’
  • ‘Het kan twee kanten op: het gaat door of het gaat niet door’
  • ‘Mijn vader zei: “Dit kan zo niet.”

Een puntkomma (;) gebruik je midden in een zin. Je gebruikt dit teken als er een belangrijk verband is voor de zin voor en de zin na de puntkomma. Een voorbeeld:

‘We stonden vroeg op; we moesten nog ver reizen vandaag.’

Goed om te onthouden: het eerste woord na de puntkomma krijgt geen hoofdletter. In een opsomming gebruik je ook een puntkomma:

Denk aan de volgende spullen:

  • Toiletspullen;
  • Passende schoenen;
  • Een warme trui;

Een dubbel aanhalingsteken of een enkel aanhalingsteken?

In het Nederlands hebben we dubbele aanhalingstekens (“) en enkele aanhalingstekens (‘). Je gebruikt een dubbel aanhalingsteken als het letterlijk een zin is die iemand heeft gezegd:

‘Peter zei: “Je bent gek!”’

Je gebruikt een enkel aanhalingsteken als het niet letterlijk is, of als je iets juist niet bedoelt (sarcasme):

Wat een ‘liefdevol’ gezin, is dat, zeg! (een gezin waar ze nooit met elkaar praten).