Ontleden

Als we het over de Nederlandse taal hebben en spreken over ‘ontleden’, bedoelen we het benoemen van onderdelen van een zin. Dat kan op twee manieren: redekundig ontleden en taalkundig ontleden. Wat betekenen deze woorden en hoe ontleed je nu precies een zin?

Redekundig ontleden

Bij redekundig ontleden verdeel je een zin in zinsdelen. Een zinsdeel is een stukje van de zin, met een of meerdere woorden, die een functie heeft in de zin. Zo kan een zinsdeel aangeven wie iets doet (het onderwerp) of wat er gebeurt (het gezegde).

Soms bestaat een zinsdeel uit één woord. Een voorbeeld is de zin: ‘Ik slaap slecht.’ In deze zin is ‘Ik’ het onderwerp, ‘slaap’ het gezegde en ‘slecht’ de bepaling. Maar hoe weet je nu precies welk onderdeel wat is? Dat onthoud je zo:

  • Eerst zoek je naar de persoonsvorm: een werkwoord dat het onderwerp in de zin doet. Dat kun je doen door een zin vragen te maken: “Mijn moeder heeft gisteren appels gekocht”, wordt dan: “Heeft mijn moeder gisteren appels gekocht?” Heeft is in deze zin de persoonsvorm;
  • Zoek naar de andere werkwoorden in de zin. Deze kunnen het gezegde vormen. In de vorige zin is ‘heeft’ het gezegde en is ‘gekocht’ het enige andere werkwoord. Het gezegde is dan ‘heeft gekocht’.
  • Nu ga je op zoek naar het onderwerp in de zin, door te vragen: ‘Wie of wat?’ Bij de voorbeeld zin vraag je: ‘Wie of wat heeft gisteren appels gekocht? Het antwoord is ‘mijn moeder.’
  • Het lijdend voorwerp vind je door te vragen: ‘Wat heeft?’ In de voorbeeldzin dus: ‘Wat heeft mijn moeder gisteren gekocht?’ Het antwoord is ‘appels’ en daarmee het lijdend voorwerp.
  • In de voorbeeldzin staat geen meewerkend voorwerp. Bij een meewerkend voorwerp vraag je: ‘Aan wie of voor wie?’ In de voorbeeldzin staat niet voor wie de appels zijn.
  • Dan is er nog het stukje ‘gisteren op de markt’ in de voorbeeldzin. Dat zijn bepalingen: je kunt ze los van elkaar weglaten. ‘Gisteren’ is in de voorbeeldzin een bepaling van tijd en ‘op de markt’ een bepaling van plaats.

Als je alle onderdelen in de zin ontleedt door in zinsdelen functies aan te wijzen, ben je redekundig aan het ontleden.

Taalkundig ontleden

Je kunt ook een zin woordsoorten onderscheiden. Je onderscheidt bijvoorbeeld werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden, bijwoorden, lidwoorden, telwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tussenwerpsels. Je hoeft bij het taalkundige ontleden geen volgorde uit je hoofd te kennen.

Kort over de woordsoorten:

  • Zelfstandige naamwoorden zijn mensen, dieren, planten, plaatsen, gevoelens en dingen.
  • Bijvoeglijke naamwoorden zeggen meer over het zelfstandig naamwoord (in de zin: ‘Dat is een rode pen’ is ‘rode’ het bijvoeglijke naamwoord).
  • Bezittelijke voornaamwoorden zijn woorden als mijn, jouw, zijn, haar, ons, onze, julie, je, uw, hun. Het gaat erom dat het woord aangeeft dat het zelfstandig naamwoord een bezit van iemand is.
  • Hulpwerkwoorden zijn werkwoorden die iets kunnen zeggen over de tijd waarin de zin staat, maar ook de mening van de spreker kan weergeven (een voorbeeld is ‘heb’ als hulpwerkwoord)
  • Koppelwerkwoorden zijn onder meer de woorden: zijn, worden, blijken, blijven, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.
  • Het voltooid deelwoord geeft aan dat iets is gebeurd.
  • De persoonsvorm is een vorm van het werkwoord die zich aanpast aan het onderwerp van de zin. Hoe je deze vindt, zie je onder het kopje ‘redekundig ontleden.’
  • Bijwoorden zijn woorden die meer informatie geven over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord geven.
  • Voorzetsels zijn ondermeer de woorden: aan, achter, bij, op en voor.
  • Lidwoorden zijn de woorden ‘de’, ‘het’ en ‘een’.
  • Het aanwijzend voornaamwoord legt de nadruk ergens op.
  • Het persoonlijk voornaamwoord verwijst naar levende wezens: ‘ik’, ‘jij/je’ ‘hij’, ‘zij’, ‘wij’, ‘jullie’, ‘zij’.

In de zin: ‘Die nieuwe klasgenoot lijkt me heel aardig’ zitten de volgende soorten woorden:

  • Die = aanwijzend voornaamwoord;
  • Nieuwe = bijvoeglijk naamwoord;
  • Klasgenoot = zelfstandig naamwoord;
  • Lijkt = koppelwerkwoord;
  • Me = persoonlijk voornaamwoord;
  • Heel = bijwoord;
  • Aardig = bijvoeglijk naamwoord.

In de zin: ‘Mijn moeder heeft gisteren appels gekocht’ vind je de volgende woordsoorten:

  • Mijn = bezittelijk voornaamwoord;
  • Moeder = zelfstandig naamwoord;
  • Heeft = hulpwerkwoord;
  • Gisteren = bijwoord;
  • Appels = zelfstandig naamwoord;
  • Gekocht = voltooid deelwoord.