Spelling in groep 4

In groep 4 wordt het spellen nog belangrijker dan in de eerdere groepen. Foutloos spellen is namelijk belangrijk om je goed te kunnen uitdrukken. Hoe je een meesterspeller wordt in deze groep, lees je op deze pagina. Wist je dat spellen in de meeste talen moeilijker is dan lezen?

Klanken (her)kennen

In groep 4 is het belangrijk dat je klanken herkent. Zonder klanken en letters kunnen we namelijk geen woorden maken. Het is heel belangrijk te begrijpen wat klanken en letters zijn en hoe ze werken. Klanken zijn nodig om de letters te kunnen kiezen. Dit moet steeds weer geoefend worden. Dit doe je in 4 stappen.

Stap 1: het woord horen
Stap 2: welke klanken horen bij het woord?
Stap 3: welke regel hoort bij het woord? En hoe schrijf je dat?
Stap 4: is het woord correct gespeld?

De regels zijn te leren door groepen woorden bij elkaar te zoeken. Je kunt een regel makkelijk onthouden en allerlei woorden zijn er meer te schrijven. Denk bijvoorbeeld aan de regels bij -ng of -nk. Je hoort de klank ‘ng’, en schrijft beide letters. Bij een woord dat eindigt met ‘nk’ is dat anders. Je hoort ‘ngk’, maar schrijft alleen ‘nk’. Denk aan het verschil tussen woorden als slang, bang, vonk en bank.

Het oefenen is heel belangrijk. Zo kun je woorden beter onthouden. De juf of meester probeert de leerling de regels beter te laten onthouden door af en toe een dictee te doen. Alle regels komen dan terug. Zo weet je precies welke regels je al goed kent en welke regels je nog moet oefenen.

Soorten woorden

In groep 3 leren kinderen alles over luisterwoorden, regelwoorden en weetwoorden. Deze woorden oefen je nog een keer in groep 4. Is een woord een luisterwoord, een regelwoord of een weetwoord? En hoe moet je deze dan schrijven? Nog een keertje kort hoe het werkt:

Luisterwoorden

Luisterwoorden schrijf je zoals je ze uitspreekt. Let op dat je de woorden goed uitspreekt. Niet ‘zaddoek’, maar ‘zakdoek’. De ‘k’ moet je dus duidelijk horen. Zo vergeet je niet hoe je het woord spelt.

Regelwoorden

Bij regelwoorden weet je hoe je het moet schrijven, omdat er een regel voor is. Denk aan het woord ‘tafelpoot’ of bij woorden die je langer kunt maken, zoals ‘hond’. Een hond, maar twee honden. Je zegt niet ‘honten’, dus hond is met een d op het eind.

Weetwoorden

Voor weetwoorden zijn geen regels. Die moet je gewoon weten. Je moet deze dus uit je hoofd leren schrijven. Denk aan woorden als ‘rauw’ en ‘rouw’, maar ook als ‘meiden’ en ‘mijden’. Deze vier woorden betekenen allemaal iets anders.

Open en gesloten lettergrepen

Om te weten of je een klinker of een medeklinker met twee of met een letter(s) schrijft, moet je eerst weten hoe je een woord verdeelt in lettergrepen. Is de lettergreep open of dicht? Dat weet je zo: een open lettergreep eindigt op een klinker. Een gesloten lettergreep eindigt op een medeklinker.

Vind je het moeilijk om deze regel te onthouden? Vraag dan eens aan de juf of meester om een ezelsbruggetje. Op heel veel scholen leer je hoe dit werkt, met de letterdief o fde dubbelzetter.

De cito in groep 4

In groep 4 neemt de juf of meester ook de Cito-toets af. Bij de toets is het belangrijk dat je weet hoe deze woorden werken:
Woorden met een klinker en een medeklinker;
Woorden met één lettergreep;
Woorden met een tussenklank die je niet schrijf;
Woorden met meer dan twee medeklinkers na elkaar;
Woorden met sch- of -schr;
Woorden met -ng of -nk;
Woorden met een f, v, s of z;
Woorden met ge-, be-, ver-, of met -el, er of -en. Twee lettergrepen;
Woorden met ei of ij;
Woorden met aai, ooi, of oei;
Samengestelde woorden met twee lettergrepen;
Woorden met eer, oor, of of eur;
Woorden met een d op het einde;

Dat lijkt heel veel, maar het valt best mee. Je gaat er namelijk in heel groep 3 en 4 mee oefenen.